Archief voor Categorie Uncategorized

Observaties over perspectief I

Het perspectief dat het meest wordt gebruikt binnen de fantasy (en de meeste andere genres) is derde persoon beperkt (“hij/zij”). Het heet beperkt omdat je een enkel persoon volgt en alleen van die persoon alle handelingen en gevoel meebeleeft en door zijn of haar ogen meekijken en meer niet. Dus geen observaties, opmerkingen, voorafschaduwingen of alles wat niet van die ene persoon kan komen.

In de meest pure vorm beleef je alles vanuit de hoofdpersoon en is alles een rechtstreekse observatie of een gedachte. In dat opzicht sluit het aan bij de eerste persoon (“ik”), die de meest directe band tussen lezer en personage creëert – er zit letterlijk niets tussen.

Maar om die directheid te krijgen, moet je zorgen dat je niet teveel afstand creëert en daardoor die directheid verliest die de lezer zo nauw met het personage verbindt. Het is iets waar ik ook voortdurend op moet blijven letten.

Doe je dit goed, dan biedt het meteen een aantal aanknopingspunten om je worldbuilding en beschrijvingen te verbeteren. Een paar observaties. Dit artikel is zeker geen volledige beschouwingen over derde persoon beperkt. Google het maar. Het is een weergave van mijn ervaringen, plus een aantal tips.

Gevoel

“Ze hoorde een zacht metalig geluid uit een van de zijstraten klinken. Ze voelde een koude sensatie over haar rug kruipen.”

Deze zin creëert een zekere afstand van het personage door het gebruik van “ze voelde”. Als je in beperkt derde schrijft, is dit niet nodig – er is immers maar 1 persoon vanuit wie de lezer het verhaal beleeft, dus is het onnodig om te zeggen wie wat voelt. Dus…

“Een zacht metalig geluid klonk uit een van de zijstraten en een koude sensatie kroop over haar rug.”

…is voldoende. Je ziet dat dit de ervaring veel directer maakt. Je kunt hier nog verder mee spelen op het moment dat je de spanning wilt opvoeren…

“Een zacht metalig uit een van de zijstraten. Een koude sensatie op haar rug.”

Actie

Dit geldt vooral voor lichamelijke sensaties zoals horen en voelen. Als het gaat om actie, dan is het natuurlijk wel noodzakelijk om aan te duiden wat de persoon doet…

“Ze liep door de smalle straat en versnelde haar pas zodra ze het plein had bereikt.”

Als je beide vormen combineert zie je dat je een hele directe en persoonlijke manier van schrijven gebruikt…

“Ze liep door de smalle straat en versnelde haar pas nadat ze het plein had overgestoken. Een zacht metalig geluid klonk uit een van de zijstraten en een koude sensatie kroop over haar rug.”

Gedachten

Voor de puristen moet elke gedachte in beperkt derde ook een echte gedachte zijn, dus iets dat het personage op een bepaald moment denkt. Daarmee wort het een soort monologue interieur…

“Een zachte sensatie kroop over haar rug. Het is niet ondenkbaar dat er iemand op haar stond te wachten, dacht ze.”

Of in de puurste vorm…

“Een zachte sensatie kroop over haar rug. Het is niet ondenkbaar dat er iemand op haar stond te wachten.”

Dit is op zichzelf prima te gebruiken. Maar in een lange roman, zeker bij fantasy, levert dat wat praktische problemen op. Om je personages diepte te geven, wil je als schrijver graag dat ze de lezer deelgenoot maakt van haar ideeën, gedachten en vermoedens. Maar het is vervelend voor de lezer om elke gedachte steeds maar weer als een monologue interieur te schrijven.

Daarom gebruiken de meeste schrijvers voor deze directe gedachten een wat indirectere vorm, die het makkelijk maakt om een vloeiende narratief te schrijven…

“Een zachte sensatie kroop over haar rug. Het was niet ondenkbaar dat iemand op haar stond te wachten.”

Aangezien er toch nooit onduidelijkheid kan bestaan over van wie deze vaststelling afkomt, hoef je het ook niet als een monologue interieur te schrijven.

Reflectie en worldbuilding

Een belangrijk element bij het creëren van een personage is reflectie, zoals ik hierboven al heb beschreven. Door te reflecteren op haar omgeving laat het personage aan de lezer zien hoe ze over de wereld denkt en wat ze voelt.

Reflectie is daarmee een absoluut onmisbaar wapen in het arsenaal van de schrijver, omdat het de wereld die hij bouwt persoonlijk maakt. Worldbuilding zonder reflectie is weinig meer dan onpersoonlijke beschrijving. Op het moment dat een personage reflecteert op hoe de wereld werkt, wordt het persoonlijk en daarmee ook voor de lezer invoelbaar.

Neem nu de volgende beschrijving…

“Ze passeerde de slavenmarkt. Hier werden de slaven op wankele houten podia en vastgeketend met dikke ijzeren ketenen tentoongesteld. In deze stad was slavenhandel heel gewoon, ondanks het feit dat vrijheid juist als het belangrijkste recht gold. Maar de macht van de scheepskapiteins en de misdaadsyndicaten die hier het meeste geld aan verdienden was groot genoeg om ervoor te zorgen dat de autoriteiten deze praktijk ongemoeid lieten.”

Hier wordt informatie op een directe, objectieve manier gegeven. De beschrijving bestaat uit twee delen, de directe observatie (Hier werden de slaven op wankele houten podia en vastgeketend met dikke ijzeren ketenen tentoongesteld) en de verdieping (In deze stad … lieten).

In het beperkt derde perspectief is het tweede deel eigenlijk niet toegestaan. Het is geen gedachte, geen actie, geen gevoel dat direct aan het hoofdpersonage is toe te schrijven. Bovendien is het informatie waar het personage al mee bekend is, dus is er geen reden voor haar om die op dat moment ook bewust te denken.

Hetzelfde geldt voor beschrijvingen van de omgeving, een goed middel voor elke auteur om de lezer meer van de omgeving te laten zien…

“Ze bereikte het plein. De huizen rond het plein waren gebouwd in de keizerlijke stijl, waarbij gebruik gemaakt was van het zwarte basalt dat uit de steengroeven in de bergen ten noorden van de stad kwam. De meeste huizen waren drie of vier verdiepingen hoog en getooid met de kenmerkende hoge puntdaken die bedekt was met helrode dakpannen. Hier woonde de elite van de stad, die de gevels van hun huizen tooiden met overdadige friezen en wapenschilden om hun rijkdom te uiten. Ze stak het plein over…”

Ook hier geldt dat er geen enkele goede reden is om deze beschrijving in te voegen. Het personage is zo goed bekend met de omgeving dat ze de huizen niet eens meer ziet als ze het plein oversteekt. Wil je als schrijver dit soort beschrijvingen relevant maken en dus voorkomen dat de lezer op den duur vermoeid raakt door allerlei beschrijvingen die door de tekst gemengd worden, dan moet je een aanleiding vinden om het persoonlijk te maken…

“Ze passeerde de slavenmarkt, waar de slaven op wankele houten podia en aan elkaar vastgeketend met ijzeren ketenen tentoongesteld werden. Het was moeilijk te begrijpen hoe een dergelijke praktijk in een stad waar vrijheid het hoogste goed was getolereerd werd. Het draaide zoals altijd om geld, het geld dat de misdaadsyndicaten en de scheepskapiteins in staat stelde om de politiek in hun macht te houden. Maar elke vorm van chantage werkte alleen maar als het slachtoffer het ook toestond. De stadsraad had de macht en de middelen om dit te weerstaan, maar duidelijk niet de wens en dit was onverdraaglijk.”

Goed, dit zou stilistisch nog wel wat scherper geformuleerd kunnen worden, maar het algemene effect is duidelijk. Hier wordt de informatie gegeven in een vorm die heel persoonlijk is. Hiermee sla je twee vliegen in een klap: de lezer krijgt de informatie en leert meer over het personage.

Maar het belangrijkste probleem blijft bestaan. Elke beschrijving moet relevant zijn voor het personage op dat moment in het verhaal. Zo niet, dan is het overbodig en moet je het weglaten. Maar dat maakt het er niet makkelijker op om alle informatie te geven over de wereld die je als schrijver moet geven, zeker bij fantasy.

Het is namelijk lang niet altijd mogelijk om een logische reden te vinden waarom een personage bepaalde noodzakelijk informatie moet communiceren. Dialoog kan daarbij helpen, maar dat wordt al snel geforceerd en moet spaarzaam gebruikt worden.

De enige oplossing is dus om vals te spelen. Soms moet je een beschrijving invoegen als het personage en de situatie er niet om vragen. Zorg er dan voor dat het persoonlijk is. En zorg er ook voor dat je er niet teveel achter elkaar zet. Het is altijd wel mogelijk om een beschrijving in het lopende verhaal te weven, door een manier te vinden de beschrijving alsnog relevant te maken…

“Ze betrad het plein. Het was duidelijk aan de rijkversierde gevels te zien dat hier het rijke deel van de wijk begon. De friezen en wapenschilden op de gevels hoorden toe aan rijke handelaren en diplomaten en het zwarte basalt waaruit de meeste huizen waren opgetrokken kwamen uit de steengroeven ten noorden van de stad en moesten een fortuin gekost hebben, net als de helrode dakpannen die de hoge puntdaken bedekten. Een dergelijk vertoon van rijkdom betekende ook dat de eigenaren hun bezit graag beschermden en er zouden dus regelmatig patrouilles door de wijk trekken die haar opdracht konden verstoren.”

Hier staat de beschrijving in dienst van de situatie. Het hoofdpersonage reflecteert op wat ze ziet en verbindt het meteen aan de reden waarom ze daar is. Als je maar voldoende in het hoofd van je personage kruipt, vind je altijd wel een manier om een beschrijving relevant te maken.

Strikt genomen zou je ook zonder kunnen…

“Ze stak het plein over. Hier begon het rijke deel van de stad, wat betekende dat er regelmatig patrouilles door de stad trokken die haar opdracht konden verstoren.”

Persoonlijk ga ik altijd voor de kortste optie. Ik beschrijf de omgeving pas als er echt een reden voor is en het verhaal niet zonder kan. Ik zou dus gaan voor de korte versie, vooral omdat de beschrijving van de huizen wel sfeer toevoegt, maar weinig met worldbuilding te maken heeft.

Behalve natuurlijk als je setting in culturele zin dusdanig afwijkt van wat de lezer redelijkerwijs kan verwachten dat het noodzakelijk wordt om af en toe extra details te geven. In mijn geval geef ik alleen een beschrijving in die gevallen waar de setting afwijkt van het laatmiddeleeuwse karakter dat mijn wereld in het algemeen heeft. Dat zijn dan niet toevallig die zaken die de stad en de wereld uniek maken.

Samenvattend

Wees karig met beschrijvingen van de omgeving en het geven van informatie. Als je het doet, zorg ervoor dat het relevant is voor het verhaal en dat het persoonlijk is, zodat het tegelijkertijd iets zegt over het personage.

“Ze sloeg een smalle zijstraat in. De huizen waren smal en hoog en leunden ver boven haar hoofd naar elkaar toe, zodat de straat in een permanente schemering gehuld was. Haar voeten gleden voortdurend uit over het mos dat op de stenen groeiden en het stonk er naar menselijk afval dat hier op straat werd gegooid. Het geknor van de varkens die de mensen hier hielden echode door de straat. Ze kwam hier niet graag, het deed haar denken aan de diepe armoede uit haar jeugd die ze eindelijk achter zich gelaten had. Een stad als Felswyck was gebouwd op ondernemingszin en rijkdom, zei men hier vaak, maar ze wist dat het juist andersom was: tegenover de enkeling die rijk werd stond een menigte aan armen die nauwelijks het hoofd boven water wisten te houden.”

Een reactie plaatsen

On writing 7: Hoe om te gaan met expositie

Een van de belangrijkste elementen bij het schrijven van omvangrijke romans – voor alle genres – is expositie. Met expositie bedoel ik in dit geval de beschrijving van de omgeving en de geschiedenis van die omgeving, bedoeld om het verhaal kleur te geven en zekere zaken die belangrijk zijn voor het verhaal nader te verklaren.

Voor bepaalde genres, zoals historische romans of fantasy, is expositie van wezenlijk belang. Het verhaal speelt zich namelijk af in een wereld die de moderne lezer in principe vreemd is. De kernvraag is dan altijd: hoe zorg je voor de juiste balans tussen verhaal en expositie. Met andere woorden, hoe zorg je ervoor dat de lezer niet verveeld wordt met te veel informatie (de welbekende “info dump”).

Er zijn een aantal technieken voor die goed te gebruiken zijn. Ik wil er de belangrijkste even uitlichten, omdat ik het afgelopen (schrijf)jaar juist op dit punt grote vorderingen heb gemaakt, als ik nu kijk naar het verschil tussen de laatste stukken van mijn manuscript en het begin. Lees de rest van dit artikel »

Een reactie plaatsen

On writing 6: De noodzaak van revisie

Onlangs beleefde ik een mooi moment in mijn ontluikende schrijverscarrière: het boek was af. Punt zetten, achterover leunen en genieten van dat gevoel van zelfvoldaanheid. En toen viel mijn oog op het openstaande scherm genaamd “Revision notes” (ja, een Engelse titel. 20 jaar voornamelijk buitenlandse fictie uitgeven doet dat met je).

Ik wist hoeveel pagina’s dat document bevatte. En daar vloog mijn zelfvoldaanheid, het raam uit, op weg naar warmer oorden.

Anderzijds, ik wist dat ik tevreden kon zijn met mijn voortgang en mijn discipline. Ik had mezelf opgelegd 30.000 woorden per maand te produceren en mijn eerste versie in 6 maanden gereed te hebben. Dat is gelukt. Ik had mezelf ook opgelegd om niet te herschrijven voordat ik klaar was. Ook gelukt.

Waarom was dat zo belangrijk? Omdat het succes van een roman niet ligt in de eerste versie, maar in de revisie.  Lees de rest van dit artikel »

Een reactie plaatsen

On writing 5: het probleem is passiviteit

Ik heb de afgelopen weken geworsteld met de wetenschap dat het verhaal van mijn belangrijkste personage niet interessant genoeg is, dat er iets ontbreekt. Het wordt steeds moeilijker om deze verhaallijn aan de gang te houden, om scenes te schrijven die iets extra’s brengen en het verhaal als geheel verder brengen. Mijn andere twee personages hebben daar geen moeite mee – bij hen heb ik juist moeite om ze ervan te weerhouden de zaak helemaal over te nemen.

Nu heb ik de afgelopen dagen een grondige analyse gemaakt en ben ik al op een alternatief plot gekomen dat niet teveel deining veroorzaakt en dit weerbarstige meer diepte geeft. Maar nog bleef ik het gevoel houden dat er iets ontbrak, iets wezenlijks, iets dat ervoor zorgt dat zij (het is een vrouw) de ster wordt van het boek. En ik kwam er maar niet achter wat.

Tot ik een van Brandon Sandersons schrijflessen zag en hij me precies uitlegde wat het probleem was. Het probleem waar de meeste hoofdpersonages aan lijden is namelijk, in zijn woorden, dat ze “bland” zijn, kleurloos en een beetje saai. Dat wordt veroorzaakt omdat het centrale conflict van het verhaal om hen draait. Dientengevolge (een woord dat ik al heel lang eens in een stuk wil gebruiken) overkomt hen alles en reageren zij daar vervolgens op, net zolang tot het conflict is opgelost.

Hoofdpersonages – en geloof me, dit geldt voor alle genres – zijn dus reactief. En dat maakt hen in wezen passieve personages, die keurig in de pas moeten lopen omdat ze het plot dragen. Ze mogen dus niet onvoorspelbaar zijn. Bovendien schrijven alle schrijfcursussen voor dat alle keuzes van een hoofdpersoon voldoende gemotiveerd en dus zorgvuldig opgebouwd moeten zijn, waardoor elke verrassing er wel een beetje afgaat.

Wat je graag ziet is een hoofdpersoon die pro-actief is. Die initiatief neemt. Die een keertje met iets verrassends komt. Dit wil niet zeggen dat je opeens je keuzes niet meer hoeft te motiveren, dat is nog steeds van wezenlijk belang. In mijn geval betekende het dat ik in het karakter en de achtergrond van mijn personages wat meer extremen moest inbouwen en dan bedoel ik niet alleen de eigenschappen die ze moet hebben omdat het plot daar afhankelijk van is. Ik bedoel dan vooral in de eigenschappen die haar tot een interessant personage maken, die zorgen voor voldoende dynamiek (en niet te vergeten conflicten).

Kortom, ze moet niet alleen problemen oplossen, maar ook eens een keer besluiten problemen te maken. Daarom is Frodo saai en Ender niet.

Een schrijver is geneigd zijn belangrijkste personage veilig te maken, omdat dit betekent dat hij het verhaal altijd volkomen in de hand heeft. Maar dat levert vaak een tegengesteld resultaat op. Het is dus tijd om het juk der verantwoordelijkheid dat mijn arme hoofdpersoon de hele tijd gedragen heeft van haar schouders te halen en haar eens wat vaker de vrije teugel te geven.

 

 

 

Een reactie plaatsen

On writing 4: plotperikelen

Een van de redenen – eigenlijk, als ik eerlijk ben, de reden – dat mijn eerdere pogingen een roman te voltooien zijn mislukt is dat ik tijdens het schrijven me teveel bezighield met het overkoepelende plot. Dat hield concreet in dat ik voortdurend nieuwe dingen bedacht die het plot beter zouden maken (in mijn ogen) of spannender of wat dan ook. Dit is eigenlijk een slinks vermomde vorm van twijfel: is wat ik nu op dit moment schrijf wel goed genoeg?

En twijfel is fnuikend voor een schrijver (en dat zeg ik niet alleen omdat ik het zo leuk vind om het woord fnuikend op te schrijven). Het tast het zelfvertrouwen aan en dat leidt weer tot writers block. Mijn theorie over writers block is namelijk dat het een soort verlamming is die ontstaat als de schrijver te veel keuzes heeft.

Bij mij wel, in elk geval. Bovendien, jezelf voortdurend bedenken helpt bepaald niet om de flow van je verhaal te bewaren – voor je het weet ben je er niet meer zeker van wat je nu precies hebt gewijzigd allemaal en wat er dan allemaal nog herschreven moet worden.

Het is vooral op dit gebied dat ik de laatste jaren veel vorderingen heb gemaakt. De enige manier namelijk om een roman van 150.000 woorden of meer te schrijven is om regelmatig te schrijven en dus ook regelmatig te produceren. Doortypen dus tot die first draft af. Je kunt alleen de discipline opbrengen om elke avond te schrijven als je niet afgeleid wordt door randzaken en je weet wat je die avond moet gaan schrijven. Als het enige waar je jezelf op hoeft te concentreren die 1500 woorden zijn die gepland staan en dat je niet terug en ook niet vooruit hoeft te kijken. Dat geeft rust en vertrouwen.

Ik hanteer daarbij een clean below the cursor strategie. Als ik ’s avond de laptop openklap heb links het document met de geplande narratief en rechts een document met de lopende tekst, waarbij de cursor naast het laatste woord staat dat ik de vorige keer heb getypt en dat alles daaronder dus leeg is. Zodat niet kan afleiden van het hoofddoel: woorden produceren. Het is me niet toegestaan tijdens zo’n sessie om het overkoepelende plot te bekijken of eerdere hoofdstukken terug te lezen.

Dat betekent dus dat ik vooraf al een plot heb geschreven en ook de spanningsboog al heb uitgewerkt. Ik weet hoe boek 1 gaat lopen en ik weet hoe boek 2 gaat lopen. Ik weet wat de belangrijkste gebeurtenissen zijn en wanneer ze gebeuren. Ik ken de ontwikkeling van de personages over de twee boeken. En ik werk voor ik begin de narratief van minimaal 5 hoofdstukken gedetailleerd uit op hoofdpunten: wat gebeurt er met wie en waarom. Tijdens het schrijven werk ik dus feitelijk mijn eerder bedachte narratief uit.

Voor mensen die nu meteen gaan roepen dat ze er dan niets aan vinden omdat ze de vrijheid willen hebben om niet te weten wat er gebeurt, dat zal best een aardig boek opleveren, maar ik denk dat met een betere voorbereiding het boek nog beter wordt. Bovendien is mijn ervaring dat als ik de narratief en de motivatie al heb staan vooraf, ik al mijn aandacht kan wijden aan de details: diepte van de personages, world building, dynamiek van de dialogen.

Een groot deel van de spanning tijdens het schrijven – en daarmee het oponthoud – ontstaat namelijk als je niet weet water twee alinea’s verder moet gebeuren. Je moet dan niet alleen ter plekke verzinnen wat er gebeurt, maar ook de samenhang daarvan met de rest van het verhaal, motivatie, plotlogica en zo meer van die dingen.

Wat ik vooraf vastleg is wat ik zelf wel de logische plotopbouw noem. Wat gebeurt er wanneer en waarom? Die logica is cruciaal voor een geloofwaardig plot en kun je niet overlaten aan het moment. Dit is het skelet waar je later naar eigen smaak een lichaam omheen kunt boetseren.

Dat het skelet er is geeft mij rust en vertrouwen. Het geeft mij de vrijheid om de personages te laten doen wat ze doen binnen de kaders die ik heb vastgelegd. En dat betekent natuurlijk niet dat het plot niet op plaatsen gewijzigd kan worden als je al schrijvende op een idee komt. Ik word nog regelmatig verrast door mijn personages, wat niet zelden leidt tot een herziening van het plot op microniveau – het macroplot (het skelet) blijft staan, maar de narratief die ik vooraf voor een bepaald aantal hoofdstukken heb uitgewerkt moet soms geheel worden herschreven. Je kunt nu eenmaal niet alles overzien.

En elke scene heeft een geheel eigen logica die gehoorzaamd moet worden. Om een voorbeeld te noemen, gisteren schreef ik een scene die in  de narratief aangeduid stond met

“<personage a> krijgt woorden met <personage b>. B ontkent er iets van te weten, maar A heeft de indruk dat de ander liegt.”

Tijdens het schrijven bleek dat de persoonlijkheden van beide personages zoals ik ze tot dan toe had ontwikkeld onherroepelijk op een ruzie aanstuurden. Elke andere uitkomst zou ongeloofwaardig zijn geweest. Het gesprek liep dusdanig uit de hand dat ik de rest van wat ik gepland had voor die hoofdpersoon in het onderhanden hoofdstuk en de hoofdstukken erna moest schrappen en de hele narratief opnieuw moest opzetten.

Gelukkig heb ik de vrijheid om dergelijke dingen zonder veel moeite te doen omdat het grotere geheel gewoon blijft staan. Ik weet dat ik nooit meer dan een aantal hoofdstukken hoef te herzien (en meestal is de uitkomst niet zo dramatisch als gisteren) en dat het herzien zelf relatief eenvoudig is.

Een reactie plaatsen

On writing 3: Blijf trouw aan jezelf

Een van de dingen waarvan ik het belang het afgelopen jaar nog scherper ben gaan zien is dat je als schrijver zo dicht mogelijk moet blijven bij wie je bent als schrijver. Ik heb jarenlang geprobeerd het soort fantasy te schrijven waarvan ik dacht dat ik het wilde schrijven – beïnvloed door andere schrijvers, door de markt, door de mening van andere schrijvers.

En ik kwam eigenlijk nooit ergens uit. Romans bleven halverwege steken. Verhalen schrijven was een oneindige wortelkanaalbehandeling. Steeds was er die gedachte “volgens mij is dit niet helemaal zoals het zou moeten zijn. Zoals het zou kunnen zijn.”

In mijn geval was het probleem altijd dat mijn stijl nogal de lengte in gaat.  Met andere woorden, ik heb veel woorden nodig om een goed verhaal op mijn manier te vertellen. Vandaar de marteling bij het schrijven van korte verhalen. Ik heb heel lang geprobeerd om korter en doeltreffender te schrijven. Anders te plotten. Maar lukken deed het nooit.

Tot ik uiteindelijk op het punt stond het schrijven maar aan te geven. En toen bedacht om het nog een keer te proberen, maar dan het verhaal te schrijven dat ik wilde schrijven op de manier waarop ik dat wilde schrijven. En als dan niemand het zou willen hebben – pech. Vanaf dat moment ging ik schrijven en herschrijven. Ik leerde mezelf niet om korter of anders te schrijven, maar om doeltreffender te schrijven.

Er is niets mis met lengte – zolang het maar de goede woorden zijn en niet de saaie. En geloof me, als ervaren fantasylezer heb ik heel. Veel. Saaie. Woorden. Gelezen. George R.R. Martin schrijft mooie lange verhalen. Brandon Sanderson ook. En wat hun werk onderscheidt is dat ze het verhaal en de wereld zodanig hebben uitgewerkt dat alle overbodige stukken eruit zijn gehaald. Geen onnodige expositie meer. Geen ellenlange verhandelingen over cultuur en geschiedenis. Wel diepte, prachtige personages, supervette actie. Ik las Steven Erickson en zag hoe hij zich boek na boek ontwikkelde en hoe zijn plotopbouw en spanningsbogen beter werden.

Kortom, ik ging geloven in wat een andere schrijver wiens naam ik me even niet herinner eens goed samenvatte: style is what you can’t help writing. Zodra je namelijk niet meer na hoeft te denken over hoe je iets op papier zet en je helemaal kunt richten op het wat, maak je geestelijke ruimte vrij om je eigen sterke punten sterk genoeg te maken om een goede roman te schrijven.

Recent tekende ik een contract voor twee boeken. Iets is er dus goed gegaan.

Let wel, dit is niet hetzelfde als niet willen samenwerken met een uitgever om je verhaal commerciëler te maken. Het betekent dat je precies weet wat je zelf wilt met je verhaal en dat je in staat bent binnen de grenzen van de redelijkheid met de uitgever te werken om het te maken zoals hij het wil. De keuze om naar een uitgever te gaan betekent namelijk dat je zegt: ik wil binnen jullie kaders uitgegeven worden.

Dat betekende dat ik afscheid moest nemen van een aantal zaken waaraan ik tijdens het schrijf- en herschrijfproces nogal gehecht was geraakt. De structuur moest anders. Het perspectief. Er moesten personages bij. Het plot werd aangepast. Het werd, kortom, een ander boek.

Het blijft echter het boek dat ik wil schrijven  op de manier waarop ik het wil schrijven. Sommige dingen heb ik niet willen aanpassen. Voor andere wijzigingen heb ik oplossingen gevonden die voldoen aan mijn eigen criteria, al zal de uitgever wellicht hier en daar fronsen. Maar uiteindelijk zal het door al deze wijzigingen een sterker boek worden – ook ik heb blinde vlekken waar ik op gewezen moest worden.

En misschien vertel ik nog wel eens wat ze zijn ook…

Een reactie plaatsen

On writing 2: magie en realisme

Het overkwam me gisteren toen ik diep, heel diep in een hoofdstuk zat. Het is een cruciaal hoofdstuk in het hele boek en het schrijven ervan ging als vanzelf – ik was aan het toewerken naar die scene die al vanaf het eerste begin in mijn hoofd zat. De scene die aanleiding is geweest voor de twee boeken die ik ga schrijven voor LS. De meeste schrijvers zullen dat wel herkennen.

Ik vloog dus over de toetsen tot ik ineens bleef haken na een bepaalde scene die me niet beviel. Als je aan het schrijven bent en zeker op de momenten dat het vanzelf lijkt te gaan loopt je bewustzijn een paar tellen achter op je vingers, dus het duurde even voor ik in de gaten had dat er iets niet klopte.

Het was eigenlijk de allereerste scene waarin een van mijn hoofdpersonen magie gebruikte en ik het hele proces dus van dichtbij beschreef. Ik stopte, las terug en zag onmiddellijk waarom mijn schrijfgeest aan de bel had getrokken. In mijn enthousiasme had ik me niet aan de beginselen van de magie gehouden die ik voor mijn wereld heb opgesteld en was vervallen in standaardeffecten die tot de special effects van de meeste fantasyseries behoren.

En dat was nu juist niet de bedoeling.

Het gebruik van magie is een van de belangrijkste aspecten bij het schrijven van een fantasyroman. De reden waarom ik fantasy schrijf – en waarom alle fantasyschrijvers fantasy schrijven – is het gebruik van magie. Een tweede reden is dat je een geheel eigen en alternatieve samenleving kunt opbouwen, natuurlijk, ook niet onbelangrijk. Maar dat dan liefst met magie.

Nu is magie de reden dat de meeste haters van het genre zo op ons neerkijken – dat en Orcs en trollen en elfen, natuurlijk – en als we het genre door de jaren heen bekijken is dat natuurlijk niet geheel en al onterecht. Magie is een beetje gebruikt als de onuitputtelijke special effects generator.  Als de plotmachine die schrijver en personage uit elke moeilijkheid redt. Je kent het wel – vuurballen, stralen energie, aardbevingen op commando, en dat alles afkomstig van die man in die jurk met de lange baard die wat met zijn handen staat te wapperen.

Maar het leuke van magie is juist om het naadloos te integreren in je wereld, zodat het vanzelfsprekend is voor lezer en schrijver.  Zodat het ook je verhaal niet overneemt – een goed verhaal gaat tenslotte over personages niet over magie. Hoe beter je magie aard in wereld en verhaal, hoe geloofwaardig en realistischer het wordt. Er zijn een aantal dingen die je kunt doen waardoor magie je verhaal diepte geeft en tegelijkertijd zorgt voor spanning.

De gevolgen van magie

Wat meestal gebeurt is dat je als schrijver de gevolgen van magie onvoldoende hebt doorgedacht op grotere schaal. Dat gaat als volgt: als een enkele magiër dit al kan, wat dan als er honderd magiërs op de wereld zijn? Of duizend?

Het gebruik van magie onttrekt energie uit de aarde. Wat dan als tien magiërs het tegelijkertijd doen? Of honderd? Of vijf maar dan gedurende jaren? Of eeuwen?

Als magie niet ongewoon is, dan heeft een maatschappij zich daar op ingesteld. Zoals Terry Pratchett een alchemist eens liet zeggen in een van zijn romans: energie opwekken? Waarom zouden we in godesnaam? Voor dat soort dingen hebben we toch gewoon ordentelijke magie?

Er zijn regels en die regels worden consequent doorgevoerd.

Dat betekent dat de regels die voor andere magiegebruikers gelden dus ook voor je personages gelden en dat die dus niet ineens iets heel ongebruikelijks uit de hoge Deus Ex Machina Hoed kunnen trekken om de wereld te redden. Moderne lezers haken dan af – ik tenminste wel. Lezers en personages kunnen samen ontdekken wat wel en wat niet werkt, waarbij duidelijk is dat het personage bepaald niet over goddelijke krachten beschikt, terwijl ze wel net dat extra beetje meer hebben dan de andere inwoner van je wereld. Mistborn van Brandon Sanderson is hier een goed voorbeeld van. Tolkien is een ander voorbeeld. Bij hem is alle magie op de achtergrond, is het duidelijk dat er regels zijn al wordt het nooit helemaal duidelijk wat die regels dan zijn, al weet de lezer al snel dat magie een goddelijke bron heeft.

Er zitten kosten aan het gebruik van magie.

Magiegebruik is dus gelimiteerd en de gebruiker moet dus kiezen: moet ik nu al los of toch nog maar even wachten? Dit wekt spanning op, zeker als de lezer zich van deze beperking bewust is. Er zijn verschillende voorbeelden van welke kosten dat dan kunnen zijn. Magiegebruik kan ingrediënten nodig hebben waardoor niet elke spreuk zomaar op elk moment gebruikt kan worden. In de boeken van Robin Hobb kan de gebruiker zichzelf verliezen bij het gebruik van magie en zichzelf daarmee opbranden. Het meest extreme voorbeeld is Merlijn, die ouder wordt bij het gebruik van elke spreuk.

Als magie geen limiet heeft neemt het vrijwel altijd het verhaal over ten koste van de spanning en de geloofwaardigheid. Voor elke machtige magiër is er een die nog machtiger is of op het punt staat te worden. Als er niets is dat een magiër in theorie niet kan doen, is het dus op enig moment al gedaan. En logischerwijs is dan of de wereld allang vernietigd door een uit de hand gelopen oorlog of de machtigste der magiërs is de baas over de wereld – tot er een komt die ook hem (of haar) van de troon stoot.

De bron van magie.

Magie kan overal vandaan komen:

  • Van de goden, als kracht die aan de gebruiker wordt geschonken.
  • Uit de aarde, als kracht waar vrijelijk over beschikt kan worden.
  • Uit de magiegebruiker zelf.
  • Uit voorwerpen en/of ingrediënten die bereid kunnen worden.
  • Uit bepaald voedsel (waarom niet?)
  • Etc.

De magiër

Wie er toegang heeft tot magie kan per wereld verschillen. Zijn het alleen de nobelgeborenen, die het als een talent erven (Robin Hobb)? Is het een talent dat per toeval aan iedereen kan toevallen? Kan het aangeleerd worden? Kan het door iets of iemand toegekend worden? Hoeveel magiërs zijn er dan per 1000 inwoners – met andere woorden, hoe geloofwaardig is het dat je hoofdpersoon er net op dat moment van het verhaal een tegenkomt?

Magie en maatschappij.

De relatie tussen magie en de wereld is ook iets dat je onder de loep moet nemen voor je gaat schrijven, omdat het de reactie van je personages ten opzichte van magie (of over het beschikken ervan) bepaald. Denk daarbij wel aan het feit dat een maatschappij zelden zo homogeen is als in de meeste slechte fantasy wordt voorgedaan. Binnen een enkel land of regio kunnen er talloze houdingen zijn ten opzichte van magie en magiërs die bepaald wordt door allerhande sociaal-politieke factoren, zoals religie, taboes of decreten van de machthebbers.

Magie gebruiken als schrijver

Een schrijver moet nagedacht hebben over alle elementen die ik hierboven noem. En het vervelende is, je komt er pas achter dat je iets niet voldoende hebt doordacht op het moment dat je die ene spannende scene aan het schrijven bent. Of er halverwege je boek – zoals ik bij de vorige draft van dit boek – iets gebeurt waaruit blijkt dat je het hele plot opnieuw moet doen omdat er onoplosbare plotproblemen zijn ontstaan doordat je dat ene effect over het hoofd hebt gezien.

In mijn geval kwam dat naar voren toen ik las dat ik was teruggevallen op standaardeffecten die niet pasten bij mijn zorgvuldig vormgegeven. Laat ik een analogie gebruiken (om niet teveel te verraden). Stel je hebt een gevaarlijke situatie diep onder de grond, maar gelukkig is een van de personages van dienst een magiër. Maar helaas – het is een watermagiër, die water nodig heeft om mee te kunnen werken (of aarde. Of zonnebloemen. Jullie snappen het wel…). Oeps…

Ik vind het persoonlijk ook interessant – als schrijver en als lezer – om te zien hoe een personage omgaat met het feit dat hij of zij magie kan gebruiken. Wat voor effect heeft dat op hem of haar?

En het is heel makkelijk om de kosten van magie over het hoofd te zien als je het personage in een spannende situatie hebt gebracht, die het nodige vuurwerk nodig heeft – waarna blijkt dat het personage volgens je eigen regels opgebrand is na dit vuurwerk, maar nog lang niet uit de gevaarlijke situatie is ontsnapt. Dat betekent dan: het hoofdstuk opnieuw plotten. En tegelijkertijd eens kritisch kijken naar het systeem dat je bedacht hebt…

 

Een reactie plaatsen

%d bloggers liken dit: